Woorden na de stilte

Vorige week reisden Irene en ik af naar een klein plaatsje bij Avignon om door de ogen van Prof. Dr. Dirk De Wachter, psychiater, naar onze maatschappij te kijken. Wij doen dit soort activiteiten om ook ons perspectief telkens opnieuw te laten uitdagen; een essentieel onderdeel van ons Narrative Healthcare Network.

Aan de hand van teksten van bijvoorbeeld Leonard Cohen en Michel Houellebacq en kunstuitingen van onder andere Marina Abramovic en zijn eigen praktijkervaringen heeft hij mij uitgedaagd en geraakt.

In dit blogje deel ik slechts enkele van mijn gedachten die ik heb meegenomen waarmee ik Dirk enorm tekort ga doen, dat zeg ik bij voorbaat, want ik heb drie dagen aan zijn lippen gehangen en mijn hersenen hebben meer vragen gekregen dan antwoorden.

De week begon met zijn perspectief dat de psychiatrie de spiegel van de wereld is waarin we leven. Hij nam ons daarom ook mee naar wat hij noemt de Borderline Times. Hij ziet in onze westerse maatschappij de symptomen van deze vaak gestelde diagnose overal terug.

Een belangrijk onderdeel van zijn perspectief is de noodzaak van verbinding. In verbinding zijn is essentieel voor de mens, en daarmee voor de menselijkheid. Hij stelt dat door het uitvergroten van de individuele vrijheid we minder verbinding hebben. Ook onze technologische schermen staan de echte ontmoeting met de ander letterlijk en figuurlijk in de weg. We gaan steeds vaker over tot het reguleren van verbindingen. Ik moest daarbij denken aan het reguleren door congresorganisaties en zorginstellingen om #patientsincluded te zijn. Is dat de verbinding die tot een echte ontmoeting gaat leiden? Kun je een echte ontmoeting reguleren?

En zo kwamen we ook bij het belang van taal. Met de teksten die Dirk ons meegaf bemerkte ik hoe, na het bestuderen van zijn songteksten door close reading, binnentrad in het hoofd van Leonard Cohen via zijn taal.

Shouldering your loneliness Like a gun that you will not learn to aim, You stumble into this movie house, Then you climb, you climb into the frame.

Door de anonieme verhalen die Dirk deelde, voelde ik, want ik wist het rationeel, hoe wij weg zijn geraakt van het verhaal van mensen door een nummer te geven (een verzekeringscode) aan mensen voor de ziektekostenverzekering. Daarmee schuiven we mensen in een rol van patiënt, terwijl ze zoveel meer zijn dan dat. Want we kunnen zoveel leren van de kwetsbare mens. En ik vroeg mij af of dat onze maatschappij niet ziekmakender maakt?

We zien ook hoe de beeldcultuur van selfies steeds meer onze identiteit maken waardoor we de gelaagdheid van onze identiteit tekort doen. Het imago lijkt daardoor belangrijker dan onze identiteit, maar onze identiteit is opgebouwd uit ons verhaal. Hoe geven we in een beeldcultuur ons eigen narratief en daarmee de dialoog vorm bij vraagstukken als kwaliteit van leven?

De week eindigde met Levinas. Een groot cadeau. Levinas hier kort uitleggen doe ik niet. Daarvoor doe de unieke geest van de man tekort en zou de suggestie wekken dat ik Levinas volledig begrijp; maar hij verwondert mij vooral nog steeds.

Levinas is nodig in onze huidige tijd. Een tijd vol consumentisme. “Ik heb behoeften, en ik geniet van de vervulling van die behoeften.” De mens is verlangen, zegt Levinas, want de ene wens is nog niet vervuld, of er is al weer een andere.

De mens probeert door genot het geluk te vinden voor zichzelf. Dat genot moet er onmiddellijk én volledig zijn. Maar het opgaan in het genot is de mens soms al teveel. Hij heeft het gevoel opgeslorpt te worden door het genot. Op zo’n momenten kan men zich bewust worden van het naakte bestaan, zonder inhoud, zonder zin: het il- y- a. Men ervaart het leven leeg, zinloos en zonder betekenis.

De Ander doorbreekt dat gesloten wereldje. Je kan hem simpelweg niet opslorpen in de wereld van verlangen. Hij is onvatbaar, ongrijpbaar. Hij doorbreekt dat wereldje. Tegelijk maakt hij het leven zinvol. Hij geeft een zin die niet door jezelf opgebouwd is, maar die komt van buitenaf: hij roept je op tot verantwoordelijkheid voor hem/haar.

Het belang van de Ander is dus nodig. Juist in de gelaagdheid van de identiteit is De Ander verrijkend voor jezelf. Het gaat om De Ander die wij niet kunnen begrijpen zonder eerst met hem te hebben gesproken, terwijl dit spreken weer los staat van het begrijpen van de ander. De Ander is ook lastig en verstorend; maar daardoor ook verrijkend. En dat brengt mij dan bij het luisteren. Tijdens het luisteren om De Ander te begrijpen, vinden we de stiltes vaak heel lastig. En toch zijn de stiltes vaak het mooist omdat de woorden die daarop volgen vaak zo’n grote betekenis hebben. Stilte en taal zijn dus verbonden.

En toen kwamen we bij de conclusie waarin Het Zelf, natuurlijk ook De Ander kan zijn. Het gaat dus om wederzijds respect, of zoals alleen Dirk de Wachter het kan zeggen: ethische bekommering. Door de ontmoeting van een ander mens, ontmoet je de menselijkheid en kun je de mens in zijn waardigheid herkennen.

Dat brengt mij naar mensgerichte zorg. Waar vroeger de arts als een God sprak en de patiënt moest luisteren, lijkt nu soms alleen nog maar de patiënt te spreken en moet de arts luisteren. Terwijl we de dialoog, het goede gesprek en dus alle betrokkenen nodig hebben voor mensgerichte zorg. We zullen dus met elkaar op zoek moeten naar een nieuwe balans waarin ruimte en respect is voor alle betrokkenen in het zorgpad.

Ik wil dit blogje eindigen met een ‘Kleine Goedheid’ waarmee ook Dirk zijn boek ‘Borderline Times’ eindigt. Vrij en veel tekort vertaalt, maar voor mij de kern:

De sociale, politieke en economische ontwerpen kunnen nooit het laatste woord hebben. Ze moeten overschreden worden door de interindividuele verantwoordelijkheid van mens tot mens. De kleine goedheid staat boven elk systeem. Want mensen horen benaderd te worden in hun uniciteit en niet als exemplarische toepassingen van algemene principes.

Een ander beeld over de vrouw, de wereld en de wetenschap

Angela Saini (37) is wetenschapsjournalist voor BBC radio. In dit boek gaat zij in op ingesleten ‘waarheden’ over vrouwen. Vooroordelen, mythen, ze pakt ze allemaal aan met heel veel wetenschappelijk bewijs en goede voorbeelden. Ze kijkt naar de geneeskunde, de antropologie, psychologie, neurowetenschap en evolutiebiologie. Het is 2018 en we gaan nog steeds gebukt onder eeuwenoude stereotyperingen.

Objectiviteit

Wat mij zo aanspreekt in dit boek hoe zij duidelijk maakt dat onderzoek naar menselijk gedrag gepaard gaat met diverse vooroordelen. Mooi is dan ook haar uitspraak:

„Objectiviteit is onmogelijk, als mensen kunnen we niet objectief oordelen over andere mensen. We moeten toegeven dat we vooroordelen hebben en daar ook nederig over zijn.”

Angela neemt een gemoedelijke toon aan in dit zeer goed leesbare boek en elk verhaal, anekdote en stukjes onderzoek sluiten naadloos op elkaar aan. Ze lijkt geinspireerd te zijn door het boek van Cordelia Fine, ‘Delusions of Gender’. Ze schrijft soms over dezelfde studies en gepubliceerde artikelen, maar brengt ook ander materiaal aan het licht en breidt eigenlijk Fine’s werk uit. Ze gaat bijvoorbeeld in op de recente ontdekking dat geslachtshormonen en immuniteit verband met elkaar houden.

Antropoceen

Wat mij bijvoorbeeld duidelijk is geworden sinds dit boek is dat vrouwen vaak verkeerd begrepen worden met hun fysieke klachten. Ze zijn wellicht betere overlevers maar niet gezonder dan mannen. Angela geeft meer inzicht in het biologisch verhaal van vrouwen en dat de wetenschap daarover nog verre van volmaakt is. We moeten kritisch blijven over wat we lezen, goed blijven nadenken, de context en historie van gedrag snappen.

We leven nu in het antropoceen, zoals René ten Bos goed omschreef in zijn boek.  Het tijdperk waarin de monidale ecosystemen diepgaand worden beinvloed door menselijke activiteit. De feiten uit dit boek stellen ons in staat om onze samenleving ten goede te veranderen naar een samenleving waarin wij gelijkwaardig zijn aan elkaar, mannen en vrouwen, omdat we mensen zijn.

Dit boek is belangrijk!

NB: Door Physics World is de Engelstalige editie van dit boek uitgeroepen tot Boek van het jaar 2017.

‘De Eeuwige Bron’ van Ayn Rand

Twee maanden geleden vroeg de eigenaar van mijn favoriete boekwinkel of ik als lezer mee wilde doen aan een avond over Ayn Rand en haar boek: ‘De Eeuwige Bron’.  Zoals velen van u weten ben ik een groot liefhebber van de Litouws-Franse filosoof Emmanuel Levinas. Er zal moeilijk een denker te vinden zijn wiens overtuigingen zo haaks staan op die van hem als Ayn Rand.

In Breda organiseert Café Livre zes bijeenkomsten per jaar over een boek met toelichting van deskundigen en lezers. De deskundigen van die avond trekken mij over de streep om in te stemmen met dit verzoek: Hans Achterhuis (filosoof) en Floor Rusman (historica). Het werd tijd dat ik deze dame eens nader ging bestuderen.

Wie was Ayn Rand?

In het kort

Ayn Rand (1905-1982) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe, zij creëerde het Objectivisme, welke ze beschreef als ‘een filosofie geschikt voor het leven op aarde’.
Rand’s meest bekende romans zijn The Fountainhead (in NL: De Eeuwige Bron) en Atlas Shrugged (in NL: De kracht van Atlantis).

Rand werd geboren in Rusland, waar zij naar de middelbare school en de universiteit ging, daar studeerde zij geschiedenis, filosofie, en scenarioschrijven en was zij getuige van de Bolsjewistische Revolutie en het ontstaan van de Sovjet Unie. In 1925 vertrok ze onder het voorwendsel van een kort familiebezoek naar de Verenigde Staten, met de intentie om nooit meer terug te keren.

Haar filosofie, het Objectivisme, kenmerkt zich door rationalismeobjectieve kennisatheismerationeel egoïsme; in politiek opzicht: laissez-faire kapitalismeminarchisme (=nachtwakerstaat) en in de kunst: romantisch realisme.

De Eeuwige Bron

In deze roman beschrijft Ayn Rand de lotgevallen van de jonge, getalenteerde architect Howard Roark, die geen enkele concessie doet aan de algemene smaak. Een rivaal zit daar niet mee en wordt beroemd en rijk, terwijl Roark arm en eenzaam is. Toch volhardt deze in zijn weigering iets te maken wat tegen zijn ideeën indruist.

Cafe Livre

Afgelopen week sprak ik deze tekst uit als lezer van het boek. Er was mij nadrukkelijk verzocht mijn politieke mening over haar gedachtegoed niet te benoemen.

Hij keek mij vol verbazing aan, mijn eigen echtgenoot, dat ik Ayn Rand nog nooit had gelezen. “Het is een pageturner. Ik heb het in een ruk uitgelezen. De hoofdpersoon wil net als jij nooit ergens lid van worden of bij horen, nu niet, nooit niet. Dat ben jij.”

Geraakt door zijn enthousiasme werd ik nieuwsgierig, maar hoe anders werd dat toen ik bij de ISVW de opleiding “Filosofie en Gezondheidszorg’ volgde en mijn docenten mij indringend lieten kennismaken met het neoliberalisme. “Ayn Rand? Dat is niet te lezen. Zo gruwelijk.” En toen voordat ik de eerste pagina aanraakte mijn vriendin uit New York: “Corine, niet jij, jij gaat dat niet lezen. Ayn propageert egoïsme boven altruïsme. Dat kun je niet lezen.”

Ik ging wel lezen. De eerste pagina’s vond ik zo matig van literaire kwaliteit dat ik niet wist of ik om die reden wel door moest gaan. Ik keek nogmaals op de achterzijde van het boek waarin zelfs werd gerept over ‘het beste boek aller tijden’. Ik zette vraagtekens bij mijn eigen perspectief.

Ik las door en begon sympathie te ervaren voor Howard Roark. Hij durft te staan voor zijn principes. Hij geeft niet om geld. Hij heeft visie. Hij is gedreven. Hij houdt niet van overleg. Hij is de Amerikaanse droom….zou niet iedereen zich een klein beetje in Howard herkennen, dan wel willen herkennen! Zeker in vergelijking met Peter Keating die zijn oren laat hangen naar anderen. Hij heeft danwel een diploma maar is een architect die alleen maar compromissen sluit en zichzelf en anderen geweld aan doet door klanten te vertellen wat ze willen horen, door hun ijdelheid te strelen. 

De eerste vrouw die ik tegenkom in het boek is Catherine, waarom wil een vrouw zo onderdanig zijn aan een man? Het deed mij denken aan het boek I.M. van Connie Plamen. Die enorme afhankelijkheid van een man. Niet je eigen leven kunnen leiden, maar steunen op een ander.

En toen de kennismaking met Dominique. De belangrijkste vrouw uit dit boek. De vrouw die een hele belangrijke rol speelt in het leven van de twee manlijke tegenpolen. Een vrouw die streeft naar vrijheid en autonomie…of toch niet ….

Haar vader, Guy Francon een beroemde architect, toont zijn liefde voor zijn dochter niet echt.

Ze herinnert zich dat haar jeugd geweldig was, maar ze verveelde zich vaak en raakte eraan gewend.  Verveling kan worden gereduceerd door creativiteit, maar Dominique is niet creatief. In plaats daarvan vind ik haar onverschillig geworden. Zodra ze iets vindt waar ze van houdt, vernietigt ze het. Voor haar kan het object waar ze van houdt een bron van angst en afkeer zijn. In mijn optiek “beschermt” ze feitelijk door vernietiging. Howard verkracht haar en behandelt haar met minachting. Het is die minachting waar zij voor lijkt te vallen. Niet minachting voor haar als persoon, maar verachting dat ze zichzelf onbreekbaar achtte. En dan concludeer ik dat ik Dominique emotioneel een onvolwassen vrouw vind.

Dominique trouwt eerst met Peter, die haar enorm bewondert, maar haar niet aankan en daarna trouwt ze met Gail Wynand. Een rijke eigenaar van een roddelkrant, als ik het zo mag zeggen. Gail houdt volgens mij echt van Dominique maar hij gaat ook steeds meer houden van Howard. Gail is rijk geworden door pulp te verkopen aan ‘het volk’ en hij walgt ervan. Zijn krant ‘The Banner’ wordt pas echt iets van hem als hij gaat schrijven over Howard en dan komt hij erachter dat hij in een groteleugen leeft, zijn eigen gecreeërde leugen.

Aan het eind van de roman neemt Howard het roer echt in handen. Hij gaat over tot het gebruiken van geweld nadat anderen zonder zijn toestemming veranderingen hebben aangebracht aan een schepping van hem. Hij moet zich verantwoorden en voert zelf zijn verdediging. Dat doet hij op gloedvolle wijze. Daar kun je niet meer om het mensbeeld van Ayn Rand heen. In dit stuk etaleert zij haar filosofie voluit.

U begrijpt al met al werd het een interessant boek. Literair nog steeds dun, maar de dialogen vertellen veel over Rands mensvisie. Als je het boek leest zonder enige politieke context, is het een boek over ‘Dicht bij jezelf blijven en niet aan andermans verwachtingen voldoen’. Maar dan stuit het boek mij enorm tegen de borst rond om het “liefdesverhaal” dat volgens mij bestaat uit een spel van verkrachting en macht.

Rand heeft aan haar Russische roots een afkeer van het collectivisme overgehouden zo is op basis van dit boek nu mijn conclusie. Ze kiest voor het individualisme en dat doet ze in dit boek met fundamentalistische hartstocht.

Meer weten over de filosofie van Ayn Rand?

https://www.groene.nl/artikel/god-zegene-de-dollar

https://www.volkskrant.nl/opinie/hoe-vaak-heb-ik-mijn-ziel-verkocht-ben-ik-ook-niet-gewoon-een-meeloper~a4583344/

https://www.trouw.nl/home/achterhuis-dwingt-lezer-tot-nadenken~a34bc948/

 

Narratieve poëzie

Het is vandaag gedichtendag in Nederland. Om die reden lijkt het mij leuk om iets te vertellen over narratieve poëzie.

Het is poëzie die een verhaal vertelt. Narratieve poëzie is een relatief lange vorm van poëzie die alle benodigde elementen bevat voor een verhaal, inclusief plot, karakters, instelling, thema en dialoog.

Ze kunnen rijmen, gebruik maken van een regelmatige meter, of spelen met geluid door herhaling, assonantie en alliteratie. Zoals andere vormen van poëzie gebruiken narratieve gedichten ook figuratieve taal, zintuiglijke beelden en zorgvuldig geselecteerde woorden. Het oudste overgeleverd verhalend gedicht is het Babylonishce epos van Gilgamesj dat dateert uit het 2e millenium v. Chr.

Vandaag wil ik graag een narratief gedicht van een van mijn favoriete dichters delen.

Out, out van Robert Frost

The buzz saw snarled and rattled in the yard

And made dust and dropped stove-length sticks of wood,

Sweet-scented stuff when the breeze drew across it.

And from there those that lifted eyes could count

Five mountain ranges one behind the other

Under the sunset far into Vermont.

And the saw snarled and rattled, snarled and rattled,

As it ran light, or had to bear a load.

And nothing happened: day was all but done.

Call it a day, I wish they might have said

To please the boy by giving him the half hour

That a boy counts so much when saved from work.

His sister stood beside him in her apron

To tell them ‘Supper.’ At the word, the saw,

As if to prove saws knew what supper meant,

Leaped out at the boy’s hand, or seemed to leap—

He must have given the hand. However it was,

Neither refused the meeting. But the hand!

The boy’s first outcry was a rueful laugh,

As he swung toward them holding up the hand

Half in appeal, but half as if to keep

The life from spilling. Then the boy saw all—

Since he was old enough to know, big boy

Doing a man’s work, though a child at heart—

He saw all spoiled. ‘Don’t let him cut my hand off—

The doctor, when he comes. Don’t let him, sister!’

So. But the hand was gone already.

The doctor put him in the dark of ether.

He lay and puffed his lips out with his breath.

And then—the watcher at his pulse took fright.

No one believed. They listened at his heart.

Little—less—nothing!—and that ended it.

No more to build on there. And they, since they

Were not the one dead, turned to their affairs.

 

Levenswijsheid

Ze verloor haar moeder toen ze twee jaar was, verloor twee kinderen in hun jonge levensjaren door een ongeluk, haar man overleed toen hij net 40 jaar was aan hartproblemen en haar nu nog enige levende zoon woont in een ver land.

Twee jaar geleden werd zij ziek, ze was toen 94 jaar.  Ze kon niet langer zelfstandig blijven wonen en moest verhuizen naar een verpleeghuis. In haar kleine maar sfeervolle kamer draait op de achtergrond muziek van Rachmaninov. Naast haar bureau wordt de rest van haar kamer vooral gevuld met boeken, pennen en schriften.

Geraakt door haar verhaal, vraag ik of ze een krachtbron heeft om te kunnen omgaan met zoveel verlies. En dan leest ze mij de tekst voor die haar al jaren kracht geeft:

‘You can’t go back and change the beginning, but you can start where you are and change the ending.’

Een pareltje van C. S. Lewis.

Ik kon niet anders dan een diepe buiging maken en haar bedanken voor het cadeau wat ze mij heeft gegeven.

Tijd

Een minuut kan soms veel te kort duren, maar soms ook zo enorm lang. Soms wil ik de klok vooruitzetten, maar ik ken ook vele momenten waarin ik de tijd wil terug draaien. Een vriendin van mij zei recent dat er te weinig uren in een dag zitten. Tijd is dan dus ook onze vijand…en het vervelende is, of juist niet, je verliest het altijd van tijd. Tijd leidt, tijd frustreert.

Afgelopen zomer lag een dierbare van mij op sterven. Hij sprak in de jaren ervoor regelmatig met mij over de tijd. Hij haalde dan Aristoteles aan: Tijd is de maatstaf voor verandering.
Alles wat beweegt, verandert in de tijd.

Een van de laatste dagen voor zijn sterven, las ik hem dit gedicht voor van Sohie Sabbage: Heilig Land.

Hij sloeg aan op de zin waarin tijd werd genoemd in dit gedicht.
Geen getijden om de tijd vast te leggen
Of lijnen om binnen te blijven

Hij vertelde dat ouder worden betekent dat je ook steeds meer kwalen en in zijn geval ziektes moet bevechten. En dat je van alles probeert om de voortschrijdende tijd te beïnvloeden. “We zullen de tijd eens een lesje leren, zei hij toen hij weer eens begon met een nieuw medicijn.”

Afgelopen feestdagen las ik het boek ‘De Keuze’ van Edith Eger. Ze overleefde het ergste, Auschwitz, en dan toch staat de enige zekerheid aan het eind van het leven op haar te wachten.
Want de tijd doodt ook.

Teveel Empathie

Afgelopen weken las ik met veel interesse het laatste boek van Ignaas Devisch Het Empatisch Teveel. Voor wie Ignaas nog niet kent. Hij is een Belgisch professor in de filosofie, medische filosofie en ethiek. Hij werkt als filosoof aan de Universiteit Gent en de Gentse Arteveldehogeschool. Hij schreef eerder ‘Ziek van gezondheid’ en het beste spirituele boek 2017 ‘Rusteloosheid’.

Ik leerde Ignaas ‘kennen’ door zijn rol als samensteller van het boek ‘Ziek van gezondheid‘. In dit boek wordt een verklaring gegeven over de medicalisering van de samenleving. En nu dus dit boek.

Empathie….hij had bijna geen beter onderwerp kunnen kiezen waar iedereen wel iets van vindt. Uiteraard begint hij met het vaststellen van een werkdefinitie: empathie is het vermogen je in te leven in en mee te voelen met wat je denkt dat de belevingswereld van anderen is. Vervolgens gaat hij nader in op het begrip aan de hand van filosofen, onder wie Theodor Lipps, Edmund Husserl, Emmanuel Levinas en Edith Stein.

Hij geeft in zijn boek aan dat elk moreel systeem empathie bevat, maar dat je kunt verschillen over de vraag wie deze empathie verdient. Hij vindt, althans zo lees ik het, dat empathie als uitgangspunt van je morele systeem wankel is omdat deze volgens hem gestoeld zijn op jouw goede gevoel OF de gelijkenissen tussen jezelf en degene op wie je je empathische betrokkenheid richt. Hij vindt dat het teveel empathie tot ongelijke behandeling leidt en niet tot rechtvaardigheid. Het empathisch teveel gaat vooral in op de beperkingen van empathie als sociaal en politiek instrument.

Zijn visie over dit onderwerp is niet onomstreden, maar dat geldt denk ik voor elke filosoof. Angela Merkel, maar ook Jesse Klaver beschouwen het vermogen om je in te leven  in anderen als stuwende kracht voor moreel handelen en een probaat middel tegen onverschilligheid. En in dit boek geeft Devisch aan niets tegen empathie te hebben, immers inleving in een ander leidt namelijk tot meer betrokkenheid bij onze wereld, maar hij schetst wel de schaduwzijde van dat empathisch teveel. Dat roept natuurlijk wel de vraag op wat kun je ervoor in de plaats kan stellen. Devisch houdt een pleidooi voor rechtvaardigheid en solidariteit.

Is empathie altijd goed? We weten vanuit onderzoek in de gezondheidszorg dat je niet voor iedereen empathie hoeft te ervaren om moreel te kunnen handelen. Na het lezen van dit boek realiseer ik mij dan ook dat empathie geen wondermiddel is waarmee we alle maatschappelijke problemen kunnen oplossen. Want zoals Devisch schrijft: ‘Wie geen grenzen markeert, creëert een eigen grenzeloosheid.’

Eigenlijk is het boek, kort door de bocht, een warm pleidooi voor sociale zekerheid.

Bestel hier het boek.

De Ander

De techniek bevrijdt ons uit onze bekrompenheid. ‘Daardoor ontstaat een nieuw kans.” Zo schrijft Levinas in ‘ Heidegger, Gagarin en wij’ in Het menselijk gelaat.’ En hij vervolgt dan: ‘Voortaan is het mogelijk oog te hebben voor de mensen, onafhankelijk van de situatie waarin zij zich bevinden.’

Na college te hebben gekregen van DE kenner van Emmanuel Levinas in Nederland, Jan Keij, lees ik alles wat los en vast zit van deze belangrijke denker van de vorige eeuw. En ik kan zeggen….dat valt niet mee; onbegrijpelijke begrippen als ‘epifanie’ en ‘interioriteit’ maken zijn werken niet echt leesbaar, maar toch….

Uitspraken als: ‘Een persoon kan men niet begrijpen zonder hem te spreken.’, zijn typerend voor Levinas. Hij gelooft dat wij alleen iemand de ruimte kunnen laten om te zijn wie hij is door met hem in relatie te treden.

Ander

Levinas is in Litouwen geboren en de ervaring van de Tweede Wereldoorlog essentieel geweest in zijn denken. Het bracht hem tot het inzicht dat de Ander nooit een eigen plek heeft in ons denken. De Andere mens wordt al gauw begrepen als een variant van onszelf. Wensen ze dat niet te zijn, dan neigen we ertoe ze te willen onderwerpen. We kunnen ze niet accepteren in hun anders zijn. Want daarvoor moet je je openstellen voor de ander en dat durven veel mensen niet.

Hoe kun je dat praktisch vertalen in de gezondheidszorg?

Een van de meest gepraktiseerde manieren is: voorafgaand aan een behandeling het probleem vast te willen stellen en te formuleren. ‘Diagnosticeren’ dus. Veel zorgprofessionals kijken naar de ‘kenmerken’ van hun patiënten en brengen die vervolgens onder in het bestaand systeem van categorieën. En dat is waar Levinas ons op wil wijzen. Want zo dreig je voortdurend de mens te reduceren tot een wezen dat in een hokje past. Daarmee doe je hem of haar altijd tekort.

Martin Heidegger is een van de geestelijke voorvaders van Levinas. Hij definieert zorg (het zorgend omgaan met dingen en personen, en met het eigen bestaan) als een wezenskenmerk van de menselijke existentie. Levinas gaat hier verder want hij stelt de vraag: waarom die zorg? En hij geeft ook het antwoord: omdat het leven van waarde is.

Als je de filosofie van Levinas volgt zou er in de zorg een relatie moeten zijn waarin de zorgprofessional gastheer is en de patiënt/cliënt de gast.

Laten we eerlijk zijn, dat is niet makkelijk om ons zo elke dag weer op zo’n manier in te stellen op de ander, het eigen ego volgen voelt vaak als de makkelijkste weg.

En toch…..

“Het is niet jij die de wereld een plaats geeft, maar het is de Ander, die jou aanspreekt, appelleert en jou een plaats geeft” – Levinas

In een interview voor de IKON- telvisie uit 1986 legt Levinas uit wat voor hem de betekenis is van de verschijning van De Ander.  

Er zal moeilijk een denker te vinden zijn wiens overtuigingen zo haaks staan op die van Emmanuel Levinas als de Russisch- Amerikaanse filosofe Ayn Rand. Over haar de volgende keer meer.

Bronnen:

  • Jan Keij – Levinas in de praktijk
  • Levinas – Totaliteit en Oneindigheid
  • Levinas – Het menselijk gelaat
  • Trouw –  Levinas: De Ander als voorwaarde
  • Levinas Studiekring
  • Ger Groot: De geest uit de fles

 

De bezieling van Vincent

Brieven

Zijn leven kende veel momenten van eenzaamheid, althans zo lees ik in zijn grote hoeveelheid brieven. Hij mijmerde in zijn brieven vaak over het leven, kunst, zijn gesteldheid, maar vooral ook in vele passages over welke tekeningen of schilderijen hij onderhanden had, wat hem in het ontwerp had aangetrokken en hoe hij het ad opgevat. Hij schetst echt een levendig beeld van een kunstenaar aan het werk.

Natuur

Natuur en kunst waren voor Vincent van Gogh onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nergens vond hij zoveel inspiratie, rust en troost als in de natuur. Volgens Vincent moest je als kunstenaar de natuur écht kennen en begrijpen. Dat lukte het best op de plek waar je er middenin kon wonen en werken: op het ongerepte platteland.

Vincent van Gogh schilderde naar eigen waarneming en niet vanuit zijn fantasie. De Bijbelse voorstellingen ‘Christus in de olijfhof’ van zijn kunstenaarsvrienden Paul Gauguin en Émile Bernard maakten hem zelfs ‘razend’. Zijn eigen werken van olijfgaarden schilderde hij buiten, tussen de bomen.

Wat men ook beweert, voor een schilder is het beter om op het platteland te werken, alles is er sprekender, alles hangt met elkaar samen, alles wordt er duidelijk…

Schreef hij aan zijn zus Willemien vanuit Saint-Rémy-de-Provence, 20 januari 1890

Inspiratie

In de brieven lees je regelmatig verwijzingen naar boeken of literatuur. Zo schrijft hij op 18 maart 1888 aan Theo over het boek: ‘Pierre et Jean’ van Guy de Mauspassant

Heb je de inleiding gelezen met een uiteenzetting over de vrijheid die de kunstenaar heeft om te overdrijven, om in een roman een natuur te scheppen die schoner , eenvoudiger, en vertroostender; en verder net een uiteenzetting over wat misschien het woord Flaubert betekende: “le talent es tune longue patience’ en originaliteit een inspanning van de wil en van scherpe waarneming?

 Op 30 maart 1888 verwijst hij in een brief naar Wagner muziek.

Maar alle kleuren opvoerende komt men opnieuw tot kalmte en harmonie. En geschiedt er iets dergelijks als met de Wagner-muziek die met een groot orkest uitgevoerd daarom niet minder intiem is.

Gezondheid

Hij verwijst in vele brieven naar zijn gezondheidssituatie. Ik heb een willekeurige selectie gemaakt om een beeld te geven

9 maart 1888, Arles, aan Theo: Wanneer krijgen we in godsnaam een generatie van kunstenaars die gezond van lijf en leden is! Bij vlagen ben ik echt woedend op mijzelf, want het is helemaal niet voldoende om meer of minder ziek te zijn dan anderen, ideaal zou het zijn om een gestel te hebben dat sterk genoeg is om er 80 mee te worden en bovendien bloed dat echt goed is. Het zou echter een troost zijn als we het gevoel hadden dat er generatie van gelukkiger kunstenaars op komst is.

4 mei 1888, Arles, aan Theo: Ik was stellig oprecht op weg om een verlamming te krijgen toen ik uit Parijs wegging. Dat heeft me later nog flink parten gespeeld! Toen ik ophield met drinken, toen ik ophield met zoveel roken, toen ik weer begon na te denken in plaats van proberen niet te denken – mijn God, wat een zwaarmoedige tijden en wat een neerslachtigheid! Het werken in deze magnifieke natuur heeft me geestelijk gesteund, maar ook daar lieten mijn krachten het na enige inspanning afweten” 55 “Mijn arme kerel, onze zenuwziekte etc. komt zeker ook van onze wat te artistieke manier van leven – maar het is ook den onontkoombare erfenis, want in onze beschaving wordt men van generatie op generatie zwakker.

22 juli 1888, Arles, aan Theo: Mijn schildersvingers worden toch soepeler, ook al takelt mijn lijf af.” “Ik verouder sneller dan jij, en waar ik naar streef is je minder tot last te zijn. Welnu, als er geen grote rampen gebeuren en als de hemel niet naar beneden komt vallen, hoop ik daar in te slagen.” “

8 augustus 1888, Arles, aan Bernard: Gelukkig is mij maag weer zover hersteld dat ik deze maand 3 weken op scheepsbeschuit met melk en eieren heb geleefd.” “Als je het goed maakt, moet je kunnen leven van een stuk brood, ook al werk je de hele dag en heb je nog de kracht om te roken en een glas te drinken, want dat heb je nodig in die omstandigheden.

3 september 1888, Arles, aan Theo: Ah, waarde broer, soms weet ik zo goed wat ik wil. Ik kan in het leven en ook bij het schilderen wel zonder God, maar ziek als ik ben, kan ik niet zonder iets wat groter is dan ik, iets wat mijn leven is: scheppingskracht. En als je, lichamelijk van die kracht, gedachten probeert voort te brengen in plaats van kinderen, dan ben je op die manier toch een deel van de mensheid. 

Het gaat steeds slechter met Vincent.

28 oktober 1888, Arles, aan Theo: Ik voel me nog steeds moe en dof in mijn hoofd, maar het gaat deze week beter met me dan de afgelopen veertien dagen.

Op de avond van 23 december 1888 heeft er een nooit geheel opgehelderde ruzie tussen Vincent en Gaugin plaatsgevonden, als gevolg waarvan Vincent zich een stuk van het linkeroor had afgesneden. Gaugin keerde hierna terug naar Parijs.

4 januari 1889, Arles, aan Theo: Als ik hier uit kom, kan ik hier weer stilletjes mijn gang gaan en weldra breken de mooie dagen aan en dan ga ik weer aan de bloeiende boomgaarden beginnen. Waarde broer, ik betreur het zo van je reis, ik wou dat je dat bespaard was gebleven, want al met al is me niets ergs overkomen en was er geen reden om zoveel moeite te doen.

Omstreeks 4 februari 1889 krijgt Van Gogh zijn tweede crisis. Hij wordt weer opgenomen. Hij dacht dat hij vergiftigd was. Dit soort episodes zal zich nog enkele malen herhalen.

Vincent wordt opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Remy.

10/15 mei 1889 schrijft hij in een passage aan zijn broer

Ik wilde je zeggen dat ik er geloof ik goed aan te hebben gedaan hierheen te gaan. Ten eerste omdat ik, nu ik de werkelijkheid van het lezen van de diverse krankzinnigen of geschiften in deze menagerie zie, de vage vrees, de angst ervoor verlies en er langzamerhand toe kan komen de krankzinnigheid te beschouwen als een ziekte zoals een andere.

In mei 1890 verliet Vincent het psychiatrisch ziekenhuis van Saint-Rémy, in de hoop dat hij zelfstandig kon leven met zijn ziekte. Hij vond een zekere rust in het dorp Auvers-sur-Oise bij Parijs, waar hij al snel weer volop aan het schilderen was.

Afgelopen maand bezocht ik Cafe Auberge Ravoux, tegenover het gemeentehuis in Auverse-sur-Oise waar Vincent de laatste drie maanden van zijn leven woonde. Hij huurde voor drie frank vijftig een kleine kamer met pension. Zijn kamer gaf uitzicht op de toren van de katholieke kerk en op een stukje van de oude kerkhofmuur. Ravoux was toen de vergaderplaats van de boeren en arbeiders uit de omtrek van Auvers.

24 mei 1890 schrijft hij aan Theo en zijn vrouw Jo:

Ik voel me – mislukt, dat is het wat mij betreft, ik voel dat dat het lot is dat ik aanvaard en dat niet meer zal veranderen.

En op 25 mei 1890 schrijft hij onder andere aan Theo:

Ik geloof nog steeds dat het een ziekte van het Zuiden is die ik heb opgedaan en dat de terugkeer naar hier voldoende zal zijn om het allemaal te verdrijven.

De dood

Op 27 juli 1890 schoot Vincent zichzelf met een pistool in de borst. Na het bericht van Vincents zelfmoordpoging reisde Theo onmiddellijk af naar Auvers. In de Auberge Ravoux zat hij aan het sterfbed van zijn broer.

Boven op de heuvel, langs de katholieke kerk door het gele korenveld, daar ligt Vincent begraven. De plek waar Vincent lag  begraven is de plek waar dokter Gachet en Vincent op de eerste dag dat hij Auvers was hadden gestaan om te genieten van het uitzicht van Oisevallei. Vincents graf lag dan ook dichtbij de ingang van de begraafplaats van Auvers. Zijn stoffelijke resten werden in1905 herbegraven. Theo, stierf nauwelijks zes maanden later († 1891). Hij geloofde zo in Vincent en kreeg in 1914 een plekje naast hem.

De schrijver Frank Westerman schreef over de brieven van Vincent: Ze zijn een medicijn voor mij geworden, een middel tegen twijfel – existentiële zowel als artistieke. Het beste zou zijn; eenmaal daags een brief en om de drie jaar de kuur herhalen. Er zijn er 902 van hem bewaard.

Voor mij was er geen betere manier om Vincent van Goghs leven en de achtergronden van zijn werk te leren kennen dan door het lezen van zijn brieven. En dat ben ik gaan doen, en ik zal niet uitgelezen raken maar hem ook niet begrijpen.  Ik erken dat ik inmiddels meer van zijn brieven houd dan van zijn schilderkunst. Maar Vincent van Gogh? Je kunt niet niet van hem houden.

Stilte

Het is zomer. De zon schijnt onafgebroken de afgelopen weken op ons vakantieadres. Vervelen doe ik mij geen minuut, sterker nog deze vakantie volg ik twee online opleidingen en heb ik een grote stapel studieboeken bij mij. Heerlijk vind ik dat. En toch, er zijn momenten in je leven dat je een resetknop moet indrukken. Deze vakantie is er eigenlijk ook zo een geworden. Gisteravond, terwijl ik samen met mijn partner geniet van een avond zwemmen in de zee, vertelt hij dat hij mij graag kennis wil laten maken met een schrijver. Dus na het eten gaan we met z’n tweetjes zitten voor een TEDtalk van Pico Iyer, De Kunst van Stilte.

En toen werd het stil in de tuin……

Nergens heen gaan als avontuur. Niets doen voor een moment van reflectie om opnieuw de juiste focus te krijgen op al onze ervaringen. Best iets waar je eerst een ongemakkelijk gevoel van kan krijgen toch; die kalmte?

Joke Hermsen schreef al eerder een boek ‘Stil de tijd’. Ik lees haar boeken graag. Hierin verkent zij het belang van rust, verveling, aandacht en wachten; ervaringen die al eeuwen als belangrijke voorwaarden voor het denken en de creativiteit werden beschouwd, maar in ons huidige economische tijdsgewricht nog steeds weinig waardering krijgen.

Maar nu, op dit moment, vertelt een reiziger, een schrijver dat hij de belangrijkste inzichten niet vond op een berg in Tibet, maar in zijn eigen hoofd. Dat is nogal wat. Je eigen stem horen en luisteren naar wat je hart je ingeeft. Ik ging ooit naar een retraite week. Daar moest ik uren stil zijn, terwijl ik wandelde door een bos met een paar boterhammen en een flesje water. En toch….toen ik eenmaal het ongemak te boven was, bracht het mij inzichten. Dat weet ik nog heel goed.

Maar je hoeft dus niet naar een klooster of een retraite week. Gewoon de stilte opzoeken in jezelf, luisteren naar je zelf; je eigen instrument. Want door stilte kun je niet alleen beter tot jezelf komen, maar kun je ook mooiere ontmoetingen hebben met anderen.